Juryrapport Ida Gerhardt Prijs

Arjan Peters & Petra Possel

Martijn den Ouden – Een kogelvrije zomer (Querido)
Het is lang geleden dat van een schrijver werd verwacht dat hij de lezer uitzicht bood, een sprankje hoop, een positieve boodschap. Van dergelijk moralisme zijn we gelukkig al een paar decennia af- behalve in de poëziekritiek, waar te vaak op weeë toon met goede bedoelingen genoegen wordt genomen, en een dichter als Martijn den Ouden, die zogenaamd poëtische taal bij voorkeur laat botsen op de gruwelen zoals die we kennen uit krantenberichten en journaalreportages, prompt het pejoratieve predikaat ‘nihilisme’ heeft opgeplakt gekregen. En met nihilisten valt niet te praten, zoals we allemaal weten. Alleen hierom al is het goed dat Den Ouden nu al drie bundels lang dwars tegen de mainstream in blijft schrijven, ongeacht of men hem lust of niet.
 Zijn jongste bundel heet ‘Een kogelvrije zomer’, en dat lijkt een titel zonder vuiltje aan de lucht. Alhoewel: vóórdat we bij ‘zomer’ zijn beland, moeten we eerst dat ‘kogelvrije’ verstouwen, een woord dat ons zogenaamd geruststelt, terwijl we juist aan die kogels zullen blijven denken.
 Eén van de gedichten- die er soms als verhaaltjes of teksten uitzien, alsof ze zijn vergeten in een dichtbundel te staan, Den Ouden heeft maling aan sjablonen-, heet ‘Paradijzen’. In déze bundel krijgt ook dat woord al direct iets onheilspellends. En jawel, onder de 26 voorbeelden die de dichter van paradijzen voor de lezer in petto heeft, bevindt zich deze: ‘de weelderig gedekte eettafel van de familie Tukker eerste kerstdag 1972 waar grootvader zich met het broodmes de keel doorsnijdt na zijn bekentenis de kinderen te hebben misbruikt.’ Opgeruimd staat netjes, zou je zeggen, al breekt het paradijs in kwestie dus pas aan na een hels tafereel.
 Paradijs 23: ‘het onbeslapen bed van Annelies Marie Frank op 5 augustus 1944 en de geur van ongewassen haren en graanvelden in de dekens’. Geen onvertogen woord, en die geur van ongewassen haren is aandoenlijk. Al is het natuurlijk ook pijnlijk- immers, 5 augustus 1944 is de dag Anne Frank uit het Achterhuis werd gehaald-, toch wijzen we erop dat Den Ouden aandacht vraagt voor iets ánders dan haar dagboek, dat er van Anne Frank nog even achtergebleven moet zijn, nadat ze op de ochtend van de vierde augustus van huis was gehaald. Niet cynisch, noch sentimenteel, maar nuchter: die geur moet op de vijfde augustus in de dekens hebben gezeten. Een nihilist zou dit zijn pen niet uit krijgen.
 In het huiselijke gedicht ‘eerst was er het huis’ worden we voorgesteld aan moeder, vader met de strijkbout, broer, tuin, lentedagen, hond, konijn, eten op tafel en muizen op het dak. Iedereen lacht, en de muizen, hond en het konijn lachen mee. ‘we hadden het goed’,  schrijft Den Ouden. Wat fijn dat het kan, zo’n gezellige familie, en wat lief van die vader dat hij de strijk doet.
 Of gaat hij met dat ding iets anders doen? Het bange voorgevoel, dat in deze kogelvrije zomer nooit ontbreekt, is ook hier terecht. Het gezamenlijke lachen waarmee het gedicht weer besluit, heeft na een gewelddadige scène ineens een lugubere lading gekregen.
 Martijn den Ouden is een dichter die zijn ogen niet sluit voor de onpoëtische realiteit, en door die instelling kan hij iets maken dat geestig is, en soms zo wrang dat het eigenlijk niet leuk meer is, maar zonder gevoelloos te worden. Op die manier maakt hij nieuwe poëzie.

Charlotte Van den Broeck- Nachtroer (Arbeiderspers)
Dat is nog eens interessant, een gedicht maken over wat er buiten de bladspiegel gebeurt, dus náást de tekst, in het wit waar alles slapend blijft zo lang het niet geschreven wordt. In ‘Wrijfklank’ raakt Charlotte Van den Broeck dat stiltegebied aan, en in deze bundel lijkt ze vaker lijkt te streven naar een ontsnapping en verdwijning- niet om zich af te wenden van de wereld, maar om erin op te gaan, een deel van een geheel zijn, en niet de eenling die van een afstand toekijkt. En die, zoals in een gedicht uit de cyclus ‘Acht’, nu ze halverwege de twintig is moet vaststellen dat de eeuwige overgave en onmetelijke verwachtingen die ze ooit in een liefdesrelatie had, niet langer dan acht jaar stand hebben kunnen houden, zo gemeend als ze waren.    
 Ouder worden betekent op die eeuwigheid inleveren. Niet altijd is alles nog mogelijk. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar zekere mannen, zoals deze dichter in ‘Dorst’ terloops- en daardoor des te dodelijker- vaststelt: ‘het eendere van mannen/ op leeftijd is dat ze uiteindelijk allemaal gaan wielrennen’.
 Met zulke oneliners kan Charlotte van den Broeck verrassen, haar vindingrijkheid mag verontrustend heten, nu deze rijke bundel al haar tweede is en de dichteres nog slechts 26 jaar telt. Met een paar snelle worden kan ze een situatie schetsen; ‘juli, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers’, en je voelt meteen hoe benauwd ze het moet hebben, want een paar regels verder blijkt ze ook nog midden in een grote stad te lopen zonder de weg te weten, ‘de kaart spant een papieren huid over Parijs/ waar de vouwlijnen lopen bolt de straat op/ als een ruggengraat die gebogen door een T-shirt prikt.’ Zeer trefzeker kan ze de het gevoel beschrijven zich wankel te voelen, door de hitte bevangen, en achter de schelle wereld waarin ze de weg zoekt een donkerte te vermoeden; die wijst er misschien op dat zij zelf een flauwte nabij is en dat het vermoede donker dat van de bezwijming is. En ook deze bijna-uittreding is weer zo’n ontsnapping, een ongezochte dit keer, aan zichzelf, en een wel heel fysieke versmelting met haar omgeving.
Na haar debuut Kameleon, over een meisje dat volwassen wordt, zet Van den Broeck haar zoektocht voort, naar de mogelijkheid dat taal, lijf en wereld zo samenvallen dat er geen rafelranden, scheuren of afzondering te bespeuren zijn. In haar beelden vindt die vanzelfsprekende eenheid van ritme en beelden al plaats. Nog vóór je alle betekenissen van haar zinnen hebt kunnen overzien, ben je gegrepen door de muziek ervan. Het is mogelijk, durven we te poneren nadat we zien dat het titelgedicht Nachtroer aan Remco Campert is opgedragen, dat Van den Broeck op haar beurt is geraakt door diens beroemde Lamento: iets van zijn vloeiende en bezwerende herhalingen is in haar gedichten terug te beluisteren. Een mooie hommage aan de oude meester, van een leerling die nu al zo groot is dat haar tweede bundel tot de allerbeste van de afgelopen twee jaar behoort.

Menno Wigman - ‘Slordig met geluk’ (Prometheus)
Alleen al de titel ‘Slordig met geluk’ legt een wereld bloot die we allemaal kennen, van veraf of van dichtbij. Een wereld van een man van middelbare leeftijd die zijn tijd heeft vermorst, op het verkeerde paard heeft gewed, zichzelf heeft uitgewoond en nu –de dood in de ogen kijkend - ziet dat er zoveel moois door zijn vingers is geglipt. ‘Gretig ben je, slordig met geluk. Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.’ De gure schoonheid van Menno Wigman bezingt hij al een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood. Flirtend, alsof hij steeds wilde zeggen: ‘Pak me dan, als je kan’. Het fin de siècle is nooit ver weg bij Wigman, Rimbaud en Baudelaire kijken over zijn schouder mee, zwaarmoedigheid is zijn handelsmerk. Maar in deze laatste bundel - en dat laatste heeft nu opeens een dubbele betekenis - is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon. In zijn klassieke, strakke verzen, zoals wij van hem gewend zijn, verhaalt hij over een gebied dichtbij de afgrond, dichtbij de dood, het is het gebied waar de dichter- en niet alleen hij-  vrees voor heeft. Een gebied ver van het dagelijks leven dat achteloos voorbij ging. Een dagelijks leven van ‘wijn, van zwaar doorrookte feesten en lucide katers’, een dagelijks leven tussen vrouwenlakens en op roestige tramrails. Een ernstige hartkwaal bracht de dichter tot aan de rand van die afgrond, een afgrond die nu levensecht voor hem lag. Letterlijk: ‘Twee weken in mijn eigen graf gekeken’. En: ‘Zo lig ik maar te wachten in mijn huid. Vier uur. Ik zie de dode met mijn naam. Ik zie een lichaam in de kamer staan. Sterk is het, tanig, stoer en jong – sprekend mijn lichaam toen het alles kon.’ Menno Wigman was een gewaarschuwd mens, hij stopte met drinken en roken en wachtte op woorden die nauwelijks meer kwamen. Goddank is deze bundel er toch gekomen, zijn beste bundel, zijn zwanenzang. Alsof hij wist wat spoedig komen zou.