Juryverslag 2016

Juryverslag Ida Gerhardt Poëzieprijs 2016

FRITS SPITS:
De uitnodiging om voorzitter te worden van de jury van de Ida Gerhardt  Poëzie Prijs heeft me overvallen. Niet omdat ik niet van poëzie zou houden, maar wel omdat ik me nog nooit, in geen enkel opzicht, als kenner van de dichtkunst heb geafficheerd. Ik kocht regelmatig bundels, zeker, maar dat was dan toch meer omdat ik hoopte in mijn dagelijkse zoektocht naar bijzondere taal op woorden en zinnen te stuiten die me op een andere manier naar de werkelijkheid leerden kijken of zouden raken aan gevoelens, die ik wel zou kunnen herkennen, maar waar ik zelf de woorden nooit voor had gevonden.
Het lezen van poëzie ervaar ik als een ontdekkingsreis die of kan leiden tot het exploreren van voor mij onbekende gebieden of kan uitmonden in een grote desillusie omdat alles wat ik tegenkom afschrikt, mij afwijst of afstoot.
Zo is in zeer grove lijnen geschetst hoe mijn verhouding tot de dichtkunst is.
Nu u dit weet zult u begrijpen dat ik het organiserend comité verzocht mij te laten vergezellen door iemand die juist wel, vooral ook in professioneel opzicht, over de kennis en ervaring beschikt en die de studie van de dichtkunst ook als een soort levenswerk beschouwt. Zij schreef de met veel bewondering ontvangen biografie over de dichter Leo Vroman en ze bereidt zich nu voor op het schrijven van de biografie van Remco Campert, mijn favoriete dichter.
Ik wilde ook beslist geen hiërarchie binnen de jury, dus zijn we beiden voorzitter en beiden lid.
Dat is Mirjam van Hengel, zij komt zo meteen aan het woord.
Dat ter inleiding.
Het komen tot een beslissing was makkelijker dan we dachten. Maar voor wij u onze ontknoping aanbieden wil ik toch in algemene zin eerst iets vertellen over de ruim 130 dichtbundels die we hebben gelezen.
Het lijkt veel, en het is natuurlijk veel. De oogst van twee jaar. Verheugend dat zovelen kiezen voor de poëzie, kiezen voor het gedicht als vorm voor hun literaire ambities. Die is, nemen wij aan, de lezer deelgenoot maken van het verhaal of de gemoedsuitstorting die aan het papier is toevertrouwd.
Verheugend vooral, maar ook frustrerend, want hoe moet je als jurylid het kaf van het koren scheiden?
En is het kaf wel het kaf, en het koren wel het koren? Dat nu was mijn grootste probleem. Er zijn immers nauwelijks objectieve maatstaven te bedenken die je bij die verdeling kunnen helpen. En dan heb ik het even niet over de technische vaardigheid van de dichter, maar meer over hoe hij in staat is mij als lezer te raken, te overtuigen, te ontroeren, te schokken, te prikkelen, boos te maken. Mijn taalgevoel heb ik laten spreken. Mijn gevoel natuurlijk ook voor metrum, voor rijm eventueel, voor melodie, en voor oorspronkelijkheid. Heeft de dichter een eigen stem, schrijft hij zinnen die eerder nog nooit zo zijn geschreven?
Mijn oordeel, ons oordeel, heeft onmiskenbaar een abstract karakter, maar toch hoop ik met bewijsplaatsen, citaten en andere opvallende kenmerken te overtuigen waarom ik gekozen heb wat ik heb gekozen. Een keuze die niet beïnvloed is door de reputatie van een dichter, ook niet door prijzen die hij voor de bundel eventueel al in ontvangst heeft genomen, of niet, maar door de kompasnaald die gestuurd wordt door een taalgebied dat zindert van de spanning.
Voor mij slaagt de dichter als hij kan laten verwonderen en ontroeren. Imponeren is bijvoorbeeld voor mij geen criterium. Voor krachts-en machtsvertoon ben ik nauwelijks gevoelig. Hoe knap het ook kan zijn wat hij doet, welk een meester hij zich ook moge tonen op het gebied van vorm, dat alles maak ik ondergeschikt aan het zichtbaar maken van wat hij van zichzelf laat zien.
U begrijpt dat ik, door zo naar poëzie te kijken, wellicht tot een heel andere keuze ben gekomen dan de geroutineerde lezers, de connaisseurs. Neemt u het mij alsjeblieft niet kwalijk.
Gelukkig wist ik mij gesteund door Mirjam, in de praktijk vonden we elkaar al snel in de uiteindelijke keuze.
De keuze die ik uiteindelijk heb gemaakt, samen met Mirjam, is gestuurd, ik zei het al eerder, door mijn persoonlijke aller-individueelste visie op poëzie.
Ik wens u een mooie, poëtische avond.




MIRJAM VAN HENGEL:
Onze allerindividueelste visie op poëzie, zei Frits zojuist. Je kunt willen dat het daarover gaat. Maar hoe openbaart die zich? Hoe lees je als je zo persoonlijk mogelijk wil lezen?
Wat ik het allerleukst heb gevonden is dat we verrassingen zijn tegengekomen Bundels van beginnende dichters als Frouke Arns of Ineke Riem, die we nog nauwelijks kenden. Maar ook dichters wier werk ik wel kende, maar nooit uitgesproken goed vond en nu wèl. Het is geweldig als je merkt dat je die mate van onbevangenheid op kunt zoeken.
Maar wat dan uiteindelijk gebeurt, is dat de uitkomst helemaal niet zo verrassend is. Drie dichters die ook door anderen vaak goed gevonden worden en die eerder prijzen wonnen. Is dat jammer? Is dat een signaal dat er toch zoiets bestaat als objectief vast te stellen kwaliteit die altijd boven komt drijven? Is dat een teken van slappe ruggengraat van een jury die zijn smaak laat sturen door een norm? Ik denk geen van drieën.
Het eerste: jammer kan ik het in geen honderd jaar vinden want het zijn alle drie schitterende bundels.
Het tweede: objectief vast te stellen kwaliteit bestaat niet, zomin als norm- en waardevrij oordelen. Zelfs smaak vormt zich door collectief gedeelde smaak en kan  hooguit pretenderen los te staan van gender, afkomst, nationaliteit, sociale kringen. In andere woorden: ik heb leren houden van de poëzie van Eva Gerlach en nauwelijks van die van Toon Hermans, maar kan alleen maar binnen een bepaalde context volhouden dat Gerlach beter is.
Het derde: ‘laat de jury zich sturen door een norm’ is dus eigenlijk wel waar. Hoe geïnternaliseerd die norm ook mag zijn (ik hou écht van Gerlach), hij is aangeleerd. Wij, aangeklede apen Frits en ik, hebben gezocht naar wat we het allermooist vonden maar  kunnen ons nooit van onze bagage ontdoen – wat die bagage ook is. Daarom is jureren in de eerste en de laatste plaats subjectief. Vanuit onze allerpersoonlijkste smaak, kozen we wat we het allermooist vonden. Waaróm we de gekozen bundels zo goed vinden zullen we proberen uit te leggen.
De genomineerde titels kent u inmiddels. In alfabetische volgorde: Mens Dier Ding van Alfred Schaffer; Wij zijn evenwijdig / raken elkaar in het oneindige van Maud Vanhauwaert en Wij totale vlam-Peter Verhelst. We houden de alfabetische volgorde aan, dus we beginnen met Schaffer.
Alfred Schaffer,  Mens Dier Ding
Een onvergelijkbare bundel. Een gedurfd project met een fascinerende opbouw en een onderwerp dat veel andere onderwerpen in het kielzog meeneemt. Dit is poëzie die zich durft uit te spreken, die smoel heeft, die niet voorzichtig tast, lief en mooi probeert te formuleren, maar zich in een krachtige eigen taal in een leven boort, zodat het schrijnt het aanspreekt. Bij deze bundel realiseer je je dat poëzie weliswaar in de eerste plaats van taal is gemaakt, maar dat ze weldegelijk ook dingen in kaart kan brengen, vragen kan stellen en zelfs aanklagen.
Dat zijn grote woorden, en dit is ook een grote bundel. Een bundel waarin een historisch verhaal verteld wordt, dat van Shaka Zulu, koning en legerleider in de vroeg-negentiende eeuw, en tegelijkertijd is het een heel intiem verhaal over de binnenkant van een mens, klein en eenzaam als iedereen. De beweging tussen die twee, waarbij de tweede vorm krijgt in een reeks dagdromen, is betoverend.
De dichter veroorlooft zich alle denkbare vrijheden, hij speelt met de historische werkelijkheid en zet haar vergaand naar zijn hand – fraai voorbeeld is dat van het proces tegen de uiteindelijk om zijn wreedheden en oorlogsmisdaden aangeklaagde  Zulukoning verslag gedaan wordt in tweets compleet met #rechtszaakS en #wroeging. Niet alleen daardoor haalt Schaffer zijn personage naar het nu, hij heeft ook
Waar de gebeurtenissen een zekere chronologie lijken te volgen, lopen de dagdromen in nummering achteruit en kun je de bundel van twee kanten beginnen e lezen. Van voren af aan krijg je een levensverhaal, van achterop groeit het beeld van een eenzame, bange mens, verloren als een eenzaam dier, gekooid als een overmeesterd mens. Zo speelt Schaffer met de noties en vergeten en herinneren  en de perceptie van een leven.
De titel is een goed voorbeeld van wat Schaffer doet: hij boetseert geen taal, is geen dichter van de exuberante vondsten en lyriek maar laat de taal vragen stellen en leegtes oproepen. Werd Sjaka van mens dier en daarna ding? Of is het onderscheid er niet, zoals de interpunctie en de typografie suggereren? En waar bevinden zich eigenlijk de verschillen tussen mens en dier en ding? Omdat het personage onder je huid kruipt wrijft Schaffer je tegelijkertijd de altijd ontluisterende wetenschap in dat het kwaad in iedereen huist, waarmee hij aan grote menselijke en morele discussies raakt.
Dat de bundel niet bezwijkt onder het gewicht van dergelijke zaken komt door Schaffers klare toon, zijn vaart en het verrassend gevoel voor humor dat op de gekste momenten de kop opsteekt zoals in het gedicht ‘Heerlijk!’ dat over seks gaat en geheel op zichzelf kan staan. De dagdromen zijn daarbij van een schitterende, ingehouden concentratie – alles bij elkaar een meer dan rijke bundel.






FRITS SPITS:

Maud Vanhauwaert, Wij zijn evenwijdig / raken elkaar in het oneindige
Maud Vanhauwaert..kennen wij haar al?
Jazeker!
En hoe lang?
In 2011 verscheen haar debuutbundel : Ik Ben Mogelijk.
Maar Maud dicht niet alleen, ze treedt ook op en was zelfs  finalist van het Leids Cabaretfestival in 2014. Was ook finalist van het Wereldkampioenschap Poetry Slam in 2012. En de bundel die we nu genomineerd hebben voor de IGP Prijs heeft al prijzen in de wacht gesleept:de Hughues C. Pernath Prijs en de Herman de Coninckprijs voor het mooiste gedicht.
Dat, beste Maud Vanhauwaert, is nog lang niet alles wat ik over u kan vertellen. Immers u bent nu ook te zien in uw programma ‘ Het Is De Moeite”.

Komt deze bundel aan de orde: … Wij zijn evenwijdig / raken elkaar in het oneindige. Mooi vonden we uw bundel en grappig  soms ook.
De onrust die in u aanwezig moet zijn, menen wij te kunnen voelen.  Het is een bundel met gedichten, dat woord komen we op de eerste, overigens nergens genummerde bladzijden al twee keer tegen, een bundel waarin de taal stuitert van de ongedurigheid.
Uw bundel lijkt wel een perpetuum mobile.
Eenmaal in beweging rennen we met u mee, verliezen we u bijna uit het oog als we met u mee reizen met de metro.
We komen mensen tegen, raken die mensen soms aan, lopen er mee op…ze verdwijnen ook weer: de agent, de zwerver.
U ziet een man met een baard. U vraagt : bent u islamitisch. “ Nee, zegt hij, ik ben verdrietig”.
Ik glimlach om dit onverwachte antwoord.
Ik hol weer achter u aan, met u op, loop naast u…zie een sopraan, een vrouw met een hoofddoek, een dikke vijftiger pijpt een sigaar.
Jongleurs met drilboren en een vrouw die  die zegt: we zijn evenwijdig, raken elkaar in het oneindige, laten we rennen.
En zo gaat u maar door.
Uw pad loopt dwars door het grensgebied van poëzie en proza.
U maakt me gelukkig als u kranen beschrijft als stalen giraffen en meeuwen die wapperen als zakdoeken.
En dan komt er dat moment dat ik de adem inhoud, omdat wat er staat zo mooi is, omdat het over de liefde gaat.
Ik vraag u zo meteen of u dat wilt voorlezen, maar ik moet door, uw poëzie dicteert het tempo. totdat we de eindmeet  bereiken
Een leven dat moet sprankelen, dat niet zo maar voorbij mag gaan, waarin gevoelens spontaan moeten ontstaan en niet bedacht moeten worden, waarin liefde verslavend mag zijn, waarin je deel uitmaakt van een samenleving, met iemand iets te maken krijgt, aanraakt, er weer los van komt,….waarvan iemand tenslotte zegt, als die hele lange weg is afgelegd: goed zo!
Dan is er nog een meer cabaretske afdeling in de bundel  met antwoorden op de vraag:
Wat doen we met: (voorbeeld: de vrouw die haar vetrollen toont en zegt: “kijk, dit is mijn sloppenwijk.”)
Die afdeling heb ik anders beleefd dan het eerste en grootste deel van uw bundel, waarvan ik bijna buiten adem ben geraakt. Dat u dat bewerkstelligd heeft is een groot compliment.
Dat poëzie, of mogen we het maudezie noemen, me zo mee kan slepen, dat mijn ogen uw woorden zijn gaan schaduwen…dat is een bijzondere leeservaring geweest.
En niet alleen van mij, ook van Mirjam.

Maud  Vanhauwaert, ik heb geprobeerd een idee te geven van uw bundel, zou u zo goed willen zijn te willen voorlezen .


MIRJAM VAN HENGEL:
Peter Verhelst,  Wij totale Vlam
Goeie poëzie heeft een effect dat misschien als het er op aankomt wel doorslaggevend is: ze veroorzaakt een haast fysieke reactie. Een echt goed gedicht is als een zacht hand op je borst. Een echt eigen stem nestelt zich meteen in je oren.
Deze zintuigelijke reacties veroorzaakt de bundel van Peter Verhelst allemaal. Wij totale vlam is een bundel over nabijheid en intimiteit en tegelijkertijd over eenzaamheid en verlorenheid. Er wordt in gekoesterd en gekeken, de liefde wordt bedreven en gemist, er figureren personages die nauw verbonden zijn en tegelijkertijd weten dat verbindingen broos zijn en eindig. Ongrijpbaar ook, zoals ons contact met een ver hemellichaam als de maan, of met onze eigen herinneringen.
Niets ligt vast, vergeten ligt overal op de loer al wil je herinneringen liefst voorzichtig  vastgrijpen en vasthouden, zoals er in deze bundel meer dan eens iets behoedzaam wordt vastgepakt tussen duim en wijsvinger.
Daarmee gaat de bundel over het verlangen te bestendigen wat alleen in tijd bestaat, wat vluchtig is en voorbijgaat. Vast te pakken omdat het onverdraaglijk is dat schoonheid je ontglipt, dat liefde zich niet laat vasthouden, dat het vergeten op de loer ligt. Dat wanneer de intimiteit het hoogst is, ze ook weer over zal gaan in iets anders, dat nabijheid ook weer afstand wordt.
Verhelst fluistert, stamelt, prevelt, zijn zinnen lopen over hun oever. Er is veel water in de bundel, veel wind, veel licht – alles beweegt. Vaak zachtjes, wiegend, tastend, maar ook brandend als de totale vlam van de titel. Als bij aanslibbing ontstaat dan waar het om gaat, al is dat eigenlijk niet het goede uitdrukking, want waar het om gaat is juist dat het je het niet zomaar zeggen kunt.
Tederheid, hoe vang je die in een zin? ‘het is zo moeilijk je tedere dingen op een tedere manier te herinneren.’
Nabijheid, hoe raak je die aan als je al gezegd hebt ‘het is moeilijk dichterbij te komen, zo dichtbij dat we het gevoel hebben dat het ons had kunnen aanraken?
Verhelst vindt zinnen die je vaak de adem doen inhouden, die pasgeboren lijken iedere keer als je ze opnieuw leest. Zinnen als ‘één voor één stijgen witte bijen uit je oor op’; die glimlach van je / alsof een parkiet over je gezicht klimt‘. En: ‘de echo van je zucht. De echo van de echo van je zucht’ .






FRITS SPITS:
Slotwoord
Lang genoeg gepraat dames en heren, een van deze 3 voortreffelijke bundels krijgt de Ida Gerhardt Poëzie Prijs.

De prijs gaat naar de bundel die ons meeneemt op een zoektocht naar het juiste woord.
het juiste woord om het gemis van de geliefde te beschrijven.
Via dichterlijke taal wil de dichter zijn geliefde weer tot leven wekken. Of zijn geliefde is gestorven (ik denk van wel) of hem heeft verlaten is niet helemaal duidelijk.
Hij zegt op blz 36 van de bundel: Je brekende ogen/Wil je dat voor mij altijd blijven doen/die brekende ogen.
Die regel zou mijn eerste veronderstelling kunnen staven.
Het juiste woord voor de beschrijving van geluksmomenten; het is daarbij net alsof de dichter het geluk kan aanraken, maar juist op het moment dat hem dat dreigt te lukken weet hij niet zeker of dat werkelijk zo is.
Geluk is een moment, een deel van een seconde, een kortstondige euforie:

Weet je nog toen we op de toppen van onze tenen/op de rand van een berg leek het wel/die keer dat we jubelend/een seconde/niet langer, enkele millimeters over de rand leken we/nooit eerder dan tijdens die onsterfelijke, die ene ongelofelijke trilling/die er achteraf gezien misschien niet eens/die ene vlam/die uit ons opschoot/zeiden we
Zo gaat het verder: de poging om een gelukseconde in woorden te vangen.
De totale vlam te beschrijven.
De dichter is wat ons betreft geslaagd.
Hij had ons inziens niet beter dat ene moment, dat ondeelbare moment van geluk onder woorden kunnen brengen
Zijn taal lijkt bedrieglijk eenvoudig, maar door zijn spel met ritme, betekenis en dichtvorm weet hij te blijven boeien en geeft hij de lezer de kans een glimp op te vangen van wat werkelijk geluk is. Dat het verbonden kan zijn met eenzaamheid, verdriet en gemis – en toch geluk is.
Dames en heren, de Ida Gerhardt Poëzie Prijs is voor Peter Verhelst en zijn bundel Wij totale vlam