Juryverslag 2014

Juryrapport Ida Gerhardt Poëzieprijs 2014

Voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2014 zijn 79 dichtbundels ingestuurd. We hebben deze boekenberg met aandacht, maar vooral ook genoegen gelezen. Het poëtisch niveau was wisselend, maar er was toch veel kwaliteit.

De uiteindelijke keuze viel op drie bundels, die elk een verschillend soort poëzie vertegenwoordigen, maar ook één uitgesproken noemer gemeen hebben. In het oeuvre van elk van de drie dichters markeert de genomineerde bundel min of meer een koerswijziging.

Pieter Boskma continueert in Mensenhand zijn epische bouwwerk, dat hij in 2002 met De aardse komedie begon en indrukwekkend voortzette met Doodsbloei (2010). Mensenhand is een relativerend afscheid van diepe rouw. Met krachtige lyriek, vol speelse allusies op klassieke voorgangers en, meer dan vroeger, onverhoeds verlucht met badinerende intermezzo's.

Hoe zou de lyriek van Herman Gorter (1864-1927) er anno 2014 hebben uitgezien als hij nu nog dichten kon? Pieter Boskma doet een stoutmoedige gooi naar het antwoord. Maar tegelijkertijd bespot hij het door hem uitverkoren idioom met understatements als 'best wel' en 'petje af'. En als hij God aan de laaglandse wiet brengt en dan 'zo stoned als een aap' beschrijft, legt hij hem junktaal in de mond. Dan is er weinig Gorter meer herkenbaar.

Het lijkt soms alsof Boskma in Mensenhand van het anker raakt en aan het schmieren slaat, maar dat is een misleidende manoeuvre van deze gewiekste dichter, Mensenhand is een serieuze bundel. In Doodsbloei heeft de dichter het afscheid van zijn gestorven geliefde een plaats in de poëzie gegeven, en nu moet hij verder, 'Tabula rasa' graag, dus met schone lei. De leegte van het weduwnaarschap biedt volop plek aan compromissen en surrogaten, maar daarvoor kiest Boskma niet. Hij moet zichzelf herscheppen, herademen en zich met zijn nieuwe situatie verzoenen, Daarvoor kiest hij een mythisch concept, dat in de titelcyclus van de bundel in twee delen, 'Godesban' en 'Mensenhand' wordt uitgewerkt. Nieuw na zijn twee vorige epische bundels is dat Boskma aan God nu een vrouwelijke stem geeft.

Wat er allemaal gebeurt – het is immers epische, dus verhalende poëzie –, dat laat zich in proza niet navertellen. Boskma wisselt zowel in zijn plot als in zijn verteltrant herhaaldelijk van register. Verwondering, ergernis, ongeloof en opluchting bespringen daarbij de lezer. Totdat de dichter zich indrukwekkend hervindt in de gekscherende boutade van een mier, die meedeelt dat Pieter Boskma zich heden heeft 'verzoend met alle levende / en ook alle dode dingen, / met de fopneus en de klapsigaar, / de kolder en de horeca, de euforie, / de hernia, roept u maar, roep het / bij zijn allerdiepste naam'.

René Puthaar toont opnieuw virtuoze vormbeheersing in Het wilde kind. De magische imponeerlust uit zijn eerste twee bundels heeft nu echter plaatsgemaakt voor persoonlijke verwondering, die de lezer mag delen. De dichter is nog steeds een vernuftig goochelaar, maar in deze bundel lijkt ook voor hemzelf verrassend wat er uit de hoed komt. Dat maakt het lezen tot avontuur.

Kort na het verschijnen van zijn tweede bundel Hier en daar (2003) trok Puthaar zich terug in de Languedoc in Frankrijk. 'Ik zocht geen huis, maar een landschap,' schreef hij daarover. 'Ik zocht geen plek, want elke plek impliceert een lijst. Ik zocht, zo leek het, het gebied daarbuiten.' In Het wilde kind echoot deze typering van zijn verhuizing van vers tot vers, en vooral ook tussen de regels.

De dichter heeft zich teruggetrokken, maar met een opmerkelijk gevolg, In zijn vorige bundels hees de dichter zich stilistisch als het ware in een deftig pronkkostuum, en wandelde daarin weg van zijn lezers. In Het wilde kind heeft dit dichterlijk exhibitionisme plaatsgemaakt voor oprechte verwondering, die de lezer zonder poespas wordt opgediend. Dat is niet alleen een verademing – het maakt lezing van deze bundel tot een feestelijke ontdekkingstocht. Daarbij is het wel geboden om de ogen wijdopen te houden, want 'makkelijke' poëzie is dit niet. Meekijken betekent nog niet onmiddellijk meebeleven. Daarvoor zijn Puthaars metaforen in eerste instantie te vluchtig. Hij spant ook erudiete strikken, zoals wanneer hij een gedicht van J.H. Leopold in het geheel citeert, maar het een andere titel geeft. Eerbied en gebrek aan eerbied kruisen elkaar dan, en dat gebeurt vaker in Het wilde kind.

Nog altijd toont Puthaar zich een meester in de vorm, maar soms spot hij nu met zijn ambachtelijke vaardigheden. Hij experimenteert ook met lossere vormen. Zoals in 'Een soort kind'. Dat gedicht is een readymade van horen zeggen, waarin de woorden als verstervend geluid in de laatste twee coupletten over de regels verdwalen. Omgevingsgeluid is trouwens een frequente bron in deze bundel, ook uit de mond van Puthaars eigen kinderen, Vaderlijke verbazing leidt dan tot liefdevolle poëzie, en zo kenden we deze dichter nog niet.

In Uitzicht genoeg van Marjoleine de Vos is het spanningsveld tussen verlangen en oriëntatie een belangrijk thema. Maar, anders dan in haar drie eerdere bundels verschuilt de dichter zich niet meer achter het alter ego van Mevrouw Despina. De toon is rustiger, maar tegelijkertijd kwetsbaarder. Bij dat al is ook deze bundel een indrukwekkend vertoon van ambachtelijkheid.

Niet het 'wie' maar het 'waar' is dilemma in Uitzicht genoeg. En 'waar' dan vooral in de betekenis van 'op welk moment in het leven'. Het openingsvers, 'Ruimtevrees', spoort aan dat vooral dichtbij te zoeken. 'Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.' Waar dat 'hier' is wordt verder in de bundel duidelijk, De dichter heeft een nieuwe leefomgeving. De vermelding 'blauw ijs op de Fivel' verraadt dat ze zich in Groningen bevindt, en uit de natuurbeschrijving in haar verzen is op te maken dat het platteland nu haar biotoop is.

Onder de pen van Marjoleine de Vos biedt de natuur subtiele, maar o zo krachtige metaforen. En opnieuw toont ze zich een ware taalsmid. Nog altijd in een aangenaam parlando, in getelde, maar nooit dwangmatige versmaat, met een schijnbaar natuurlijke regelval. Elk gedicht formuleert opnieuw, maar steeds anders, hetzelfde. In het gedicht 'Midden in het leven; geeft De Vos die constante onherhaalbaar woorden, In dat vers wordt het plaatsnaambord onverwacht onleesbaar. Dat desoriënteert, maar hoeveel verandert ermee?

'Buiten is niets te zien dan het uitzicht,' stelt Marjoleine de Vos, 'volledig veranderd in altijd hetzelfde.'

Zo, quasi-terloops maar bezonken, is deze dichter op haar best. Haar zintuiglijke bezonnenheid is besmettelijk van vers tot vers. Keek mevrouw Despina nog uitdagend om zich heen, in Uitzicht genoeg wordt meer beschouwd dan gekeken. De Vos haalt niet meer zo verrassend uit als in haar eerste drie bundels; wie tussen de regels leest, herkent de kwetsuren die aan de rustiger toon ten grondslag liggen. Ervaring is dan ook het ongenoemde sleutelwoord, Ervaring, en ook aanvaarding. Aanvaarding dat 'de tijd zich toont, bewoond door alles / wat niet blijven kan. Dat is de kracht ervan,' - En dat is ook de kracht van deze bescheiden, maar grootse dichtbundel.

Het mag duidelijk zijn. Voor ons, leden van de jury van de Ida Gerhardtprijs, verdient elk van deze drie bundels een ereplaats op de poëzieplank. Maar de prijs is geen gedeelde bekroning. Uiteindelijk kiezen wij daarom voor de bundel waarin zich alle denkbare elementen van poëzie verenigen, en waarin traditie en experiment zo opmerkelijk samenvallen.

De Ida Gerhardt Poëzieprijs 2014 is voor Mensenhand van Pieter Boskma.

Zutphen, 14 maart 2014

Wim Brands en Arie van den Berg