juryverslag 2010

Juryrapport Ida Gerhardt Poëzieprijs 2010
 
Eva Cox, Een twee drie ten dans
 
Waar andere dichters hard werken aan de beheersing van één stem, voert Eva Cox in Een twee drie ten dans moeiteloos een heel koor ten tonele. Ze dirigeert scherpzinnig en met overgave, steeds meester van haar eigen taal. Dan kan ‘een muurbloem' een onheilspellende lading krijgen en klinkt het woord ‘dreigend' innig tevreden. De veelheid aan tonen en stijlen maakt van Een twee drie ten dans een prachtige, beweeglijke bundel. Eva Cox lijkt een spel te spelen volgens regels die telkens veranderen. Soms wandel je haar werk in alsof je er al jaren over de vloer komt, dan weer voel je je een ongewenste pottenkijker - maar spel of niet: echt luchtig wordt de bundel nooit.
 
Cox neemt op geraffineerde wijze kritische standpunten in. In Elevador da Bica. Lisboa staat er: ‘Wij zien niets. / Geen bloed. / Geen bodem. / Geen kruis. / Geen honden. / Geen katten. / Geen muis. / We zien niets'. Heel helder, heel concreet - maar wat worden we door deze regels uitmuntend bespeeld. ‘De Pool heeft geen naam en spreekt niet', stelt ze in het prozagedicht ‘De Pool in de smeerput' - en het volle gewicht van die woorden legt ze moeiteloos in de handen van de lezer - zelf blijft ze in beweging. Een twee drie ten dans is een bundel die ons toont wat poëzie geweest is, zal blijven en kan worden. De titel is een commando en een uitnodiging tegelijk: een opdracht waaraan de lezer tot eigen genoegen kan voldoen.


Bart Meuleman, omdat ik ziek werd
 
In omdat ik ziek werd schotelt Bart Meuleman ons de bekentenissen voor van een intelligente misantroop die worstelt met zijn inktzwarte wereldbeeld. Gedicht voor gedicht daalt hij af in de tochtige put van zijn gedachten. Daar, dieper dan de liefde voor schoonheid, vermoedt hij het lichtgevend begin te kunnen vinden van een groot geheim. Nee, tot een algeheel welzijn voor de mensheid zal dat geheim vanzelfsprekend niet leiden, maar gezonde scepsis staat in deze poëzie een nog gezondere dosis onverstoorbaarheid en onbevangenheid niet in de weg.
 
Hoezeer de ik in Meulemans poëzie zich ook van de mensen en hun plastic wereld lijkt af te keren, keer op keer probeert hij iets van zichzelf op het spoor te komen, iets dat - zoals hij zelf zegt - waarachtig moeilijk mee te delen is en onbruikbaar voor wie luistert naar wat ons dag na dag vergeefs wordt aangeleerd. Hij gaat onnadrukkelijk maar ferm voorbij aan het gezever en gefleem van de wereld, zonder dat deze gedichten zich daardoor van de buitenwereld afkeren. Eerder in tegendeel. Ze stellen indringende vragen bij onze neiging tot doelmatigheid en ze geven ons bijvoorbeeld het dierlijk-instinctieve en het on- of onderbewuste in overweging als alternatieve modellen. En dat op een effectieve, want zwart-humoristische manier.
 
Volgens de achterflap van omdat ik ziek werd schrijft Meuleman geen mooie gedichten. De jury, echter, was getroffen door de pijnlijke schoonheid van Meulemans nauwgezette taal, van zijn gebeeldhouwde zinnen en van zijn onbekrompen eerlijkheid. Schoonheid voor gevorderden, deze indrukwekkende poëzie.
 
Meuleman toont zich in zijn derde bundel meer dan bestand tegen de hoge verwachtingen die hij zelf met zijn eerdere werk wekte. In omdat ik ziek werd klinkt dezelfde herkenbare stem als in de bundel hulp uit 2004. Maar het timbre heeft zich verdiept en de greep op het materiaal, zowel dat van de taal als van de thematiek, heeft zich verstevigd.

 
Alfred Schaffer, Kooi
 
‘Why do I tell you these things? You are not even here'. Met dat aan John Ashbery ontleende motto begint Alfred Schaffer zijn zesde bundel, Kooi. In Kooi is een dichter aan het woord die niet wegloopt voor confronterende vragen over zijn stiel; een dichter die zich durft af te vragen waarom je dat eigenlijk zou doen, dichten. Het motto geeft geen antwoord. In tegendeel: het klinkt een beetje moedeloos. Waarom vertel ik je dit allemaal? Je bent er niet eens. Ik kan er net zo goed mee ophouden. In het licht van deze twijfel oogt de titel van het eerste gedicht van Kooi omineus: ‘Een meer dan waardig afscheid'. En ook de beginzin van het slotgedicht doet ons even voor het ergste vrezen: ‘Het is wel mooi geweest'.
 
You are not even here. Ook de mensen die in Schaffers gedichten worden aangesproken, zijn niet aanwezig. Wel worden ze toegesproken, door een ik die gedicht voor gedicht hetzelfde probeert: contact tot stand brengen met de ander. De gedichten beginnen vaak met een vermaning, of met een verwijt. Onmiddellijk wordt de zaak op scherp gezet: hier staat iets op het spel. De dichter neemt geen genoegen met het schijncontact tussen twee mensen die zichzelf en elkaar wijsmaken dat ze niet verschillend zijn. Kun je de ander zien zoals hij werkelijk is, of verhouden we ons slechts tot projecties van onszelf? Dat is de vraag die aan de orde is in deze gedichten, waarin nooit uit te maken is of we de ander inderdaad horen spreken, of dat zijn of haar woorden slechts aan de fantasie van de ik zijn ontsproten.
 
Twijfel aan de mogelijkheid van echt contact loopt als een ontroerende rode draad door deze bundel heen en de zeldzame momenten waarop het contact daadwerkelijk tot stand lijkt te komen zijn van een verpletterende schoonheid. Ze worden bevochten op een voortdurend dreigend, maar met succes bevochten pessimisme.
 
Schaffer behoort al een 10 jaar tot de sterkste Nederlandse dichters. Zijn overrompelende directheid neemt nog altijd toe en zijn poëtische durf blijft ongeëvenaard. De gave verzen en ijzersterke prozagedichten in Kooi zijn nieuwe hoogtepunten in een hopelijk nog lang niet afgerond oeuvre.
 

Dames en heren, de jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2010 heeft uit een indrukwekkend aantal goede poëzieboeken van de afgelopen twee jaar slechts drie bundels mogen kiezen. Alle drie zouden ze deze mooie prijs volgens de jury dubbel en dwars verdienen. Maar u wilt dat we de knoop doorhakken. En dat hebben we gedaan. De zesde Ida Gerhardt Poëzieprijs gaat naar Kooi van Alfred Schaffer.
 

Ester Naomi Perquin
Thomas Vaessens