juryverslag 2008

Genomineerden:

Al Galidi - - De herfst van Zorro
 
De gedichten in De herfst van Zorro van Al Galidi zouden comfortabel exotisch kunnen zijn - o, zie de ingeburgerde buitenstaander eens lyrisch raaskallen over zijn onbegrepen, harde dagelijkse leven, laat hem maar begaan, hij is onschadelijk! Maar niets is minder waar. Al Galidi zet zijn volledige verbeelding in om aan zijn en ons eigen leven nog iets van schoonheid te ontlokken. En daar slaagt hij in, met vlag en met wimpel.
Op een groot gemaskerd bal laat de dichter, verkleed als Zorro, overal zijn grote Z in onze verbeelding achter. Veel grappen en grollen, alleen al de afzonderlijke titels zijn een genot: ‘Op een nacht in zijn herfst opende Zorro de koelkast. De vla trilde van angst. Zorro voelde de pijn van de vla en zei tegen hem dat hij hem niet op zou eten en alleen wat sap wilde drinken. Voor die vla zong Zorro dit lied.' Hoeveel dichters zouden hun ziel niet geven voor één zo'n gedicht, laat staan een titel.
De beeldspraak schuurt, wringt en kraakt, het is allemaal verre van gelikt, en hoe verfrissend is het resultaat: ‘Ik ben een strand van wachten.' ‘Ik wil naast je liggen/ zoals de golf naast de golf.' ‘Mijn hart/ als de duiven op de Dam.' ‘Jouw kont, mijnheer pauw,/ is de heiligste kont.'
Zorro durft lyrisch te zijn, durft te jodelen en te joelen in een volle winkelstraat. On-Nederlands noemen we dat, want Nederlanders kuchen liever beschaafd achter de hand, schuwen de pathetiek, zijn liever doorwrocht.
Voorbeelden? Voorbeelden! ‘Mijn hart is Hiroshima,/ mijn penis Nagasaki/ en ik ben een Berlijn van as.' Of: "De Nederlanders vroegen mij:/ ‘Je hebt geen verzekering./ Wat als je been breekt?'/ En ik antwoord:/ ‘Ik hak het af,/ kook het,/ eet het op.'// Ach,/ volgens mij/ heb ik een vaderland nodig.' Of: "‘Wat is jouw sterke punt?' vroeg ze./ ‘Mijn penis', zei ik./ ‘Wat is jouw zwakke punt?'/ ‘Mijn penis.'" Alles van uw gading vindt u hier: maatschappijkritiek, filosofie, en een buitengewoon originele beeldspraak.
Wat leven we in een kille, ongastvrije samenleving, beseffen we weer na het lezen van deze sprankelende poëzie. En wat weet Al Galidi die boodschap weergaloos voor het voetlicht te brengen, zó, dat we erom moeten huilen en schateren. Je zou zowaar weer van het leven gaan houden.
Poëzie wereldvreemd? Poëzie voor snobs? Poëzie niet bedwelmend of noodzakelijk, het leven vierend? Poëzie als woordpuzzel voor mensen zonder hobby?
Laat ons niet lachen! Laat ons De herfst van Zorro lezen. En hardop graag!

F.van Dixhoorn - - twee piepjes
 
En nu we toch niet over dat klimaat uitgepraat raken, zónder F. van Dixhoorn zou de Nederlandse poëzie al helemaal finaal & sneu door de hoefjes zijn gezakt. ‘An unconvenient truth de wat...?'
Gewoon twee piepjes, mevrouw, meneer, doet u dat wat?.
Met behulp van een leger vrijwilligers, een dikbetaalde manager en een handvol sponsoren hielden we de toko wel draaiend. Juist relaxt toch, zo vereend ‘a l'improviste'.We trokken poëzietempels op, we trokken als nomaden per karavaan liefst slammend van leer. Het trok volk (veel volk) dus wat nou gezeur over zo'n warmtekanon meer of minder! Hoezo zuurstofverslindend, hoezo gebakken peren, a k o e s t i e k, je verknalt je de wat, piep?
De twee piepjes van Dix staan voor een monumentale muzikale piece met de smaak van een sterappeltje. Waar om ons heen, pompend en pimpend Nederland druk redderend blijft het gat in hun festival met poëtische rimram te dichten, trok van Dixhoorn superieur, genadeloos en in zijn uppie, op veronachtzaamd braakland zijn muzische bouwwerk op. Nooit meer chill ja ‘zellig kamperen met het themanummer, de poëzie en de tijgernoten hand in hand. Lekker improviseren, liederlijk bivakkeren.
Duurzaam, met summiere middelen construeert van Dixhoorn een even open als sluitende architecturale ruimte waarin poëzie (de wat) en niets anders dan dat (de wat) kan klinken.
de wat
de wat
de wat
‘P o ë z i e ! dame, jonge aanplant, lang seizoen ...'
Niks geen unconvenient truth, maar .het dagelijks beheer .een boot
Zo'n boot waar we ark ja nee gewoon goed, steen, hoed.
Chapeau! gilt het daar (lichtelijk hysterisch). Maar wij hier zijn maar van één ding echt zeker. Dat wij louter en alleen omdat van Dixhoorn zich als rijksbouwmeester opwierp, nog in onze handjes mogen klappen.

Anne Vegter - - Spamfighter
 
Spamfighter is geen leuke, gezellige bundel, geen spring in het veld, geen opgeruimd kind met liefhebbende ouders en elke week vioolles. Nee, dit is een sombere blik op het burgermansbestaan, monter verwoord zoals in: ‘Mijn broer zorgde voor mijn twijfels, droeg ze naar boven, knielde/ aan mijn bed en vroeg eenheid in volkssmaak, een witte trend,/ hij smeekte om namen van steden. Hij bad duizelingwekkend,/ verlangde snelgroeiende kweek.' Wat schuilt er een wanhoop en verlangen in deze schijnbaar koele zinnen, maar wat is deze taal prachtig. Dat alles in lange zinnen, want waarom zou je je verstoppen achter slimme enjambementen als je iets op je lever hebt.
Met Spamfighter staat het onomstotelijk vast: wat schrijft Anne Vegter betoverend mooi, en wat is haar poëzie wars van koketterie. Verplichte kost voor elke poëzieliefhebber, om te zien wat je met betekenis allemaal kunt uithalen als je een beetje uit je woorden komt: ‘We zullen middelen moeten vinden om onze eindigheid te vervullen./ Keer de attracties niet de rug toe. Botsen, zweven, duiken, rollen, hangen// en trilling lengt tijd.'
Alles botst hier met elkaar, alles komt door nevenschikking met elkaar in contact: staande uitdrukkingen met lyrische ontboezemingen, mediatermen met associatief geschmier (‘is your sleep your way to weigh the beeeeeeeeeeep*.'), eigenzinnigheid met grote woorden - jazéker, Grote Woorden. Want er staat iets op het spel, onze omgang met elkaar is ver beneden peil, en voor de innerlijke huishouding is dat bijster ongezond: ‘De stad zakte lallend in elkaar. Voor radeloosheid geen, zei hij, of een enkel./ Eerst slachtoffers maken. Sommigen denken dat het eenvoudig is, maar ik bedoel echte.'
Wie zei daar dat poëzie niet meer nuttig was? Wie zei daar dat poëzie recht door zee zou moeten zijn? Wie zei daar dat poëzie zweverig zou moeten zijn, een flatterende spiegel voor de lezer?
Het ligt allemaal wat ingewikkelder. Poëzie lezen, poëzie werkelijk tot je nemen, is een hogere vorm van meeleven, van formuleren, je stoffige denkkaders afbreken en in taal weer opbouwen. Vegter stuurt je op ontdekkingsreis in een sprankelende, belangrijke, vitale bundel poëzie, met gedichten die kaf en koren samenbindt, en daarna kaf van koren scheidt. Dát is zuiveren. Gif en tegengif.
‘Diep onder me was de vindplaats Aarde.' Dat we daar geraken.

Winnaar

Nachoem M.Wijnberg - Liedjes
 

Liedjes heet de bundel van Nachoem Wijnberg. Uitnodigend eenvoudig Liedjes. Wanneer je de inhoudsopgave doorneemt wil je je acuut warm zingen of je gitaar gaan stemmen zo verkwikkend oogt die lijst: liedje liedje liedje. Een laat hem betalen liedje en wat een groot leven. Liedjes en nog eens liedjes. Op het eind wacht ons een nacht in Parijs die alles weer goed maakt. Maar wat zou er goed te maken zijn nu niets erop wijst ons klinkend festijn nog te kunnen versjteren? Je croont al voor je een noot van het blad gelezen hebt. We slaan het album open en dan...:              
               vergeet het maar!
Laat uw gitaar thuis u alles.Vergeet het en ontsla die band, ontsla het podiumbeest, laat al die toeters en bellen toch zitten. Installeer je eenvoudig en vang...
Nou, al vált het kaduuk, wat dan nog? Niet te bang: vang!
In zijn bundel liedjes toont Nachoem Wijnberg dat je met de ingetogen bezieling van een ingenieur of instrumentenmaker het lied misschien wel een grotere dienst bewijst dan met alle vlotte pennen van een keurkorps ingehuurde liedjesschrijvers bij mekaar. Tegenover het product van zo'n gevierde singer/songwriter lijken Wijnbergs liedjes schokkend zeldzaam ingekeerd en ongelikt. Wars van effectbejag, ophef en podiumdrukte. Bovendien Wijnberg kán niet eens zingen, u dan?
Knap! want voor wie recht zit en vangt: de sensatie is er niet minder om. Al lezend wordt het duidelijk waarom Wijnberg - zonder excuustruus vooraf - het risico op de koop toe neemt dat je soms met een liedje dat misschien wel voor geen meter wil klinken blijft zitten. In de poging tot vangen hou je spontaan een prul hoog. Waarom mik je die dan toch niet onmiddellijk weg?.
Op zoek naar dat antwoord laat de bescheiden titel van Wijnbergs bundel zich meer en meer als een boud statement lezen. Liedjes ja, poëzie! - uiteindelijk laat hij ons vooral prangend zitten met de vraag waarom we veel van die populaire Nederlandse liedjes poëzie zijn gaan noemen. Ook al geen vraag! Het zijn de liedjes van Nachoem Wijnberg die onder de noemer poëzie glansrijk de Ida Gerhardt Poëzie Prijs verdienen Wijnbergs liedjes mogen in het gebruik gerust kreuken, krimpen, krassen, butsen en afgeven. Voor Wijnberg is de vooringenomen krimpvrije schrijver zélf de grootste prul de prutser. Wijnbergs liedjes zijn alle liedjes, al ónze liedjes, die als nachtdieren wegschieten dra we er de spot op richten. Ze schuilen overal in en onder. Darren, dollen, bedekken en verstoppen zich. Ze zijn vitaal brutaal en levendig, voeden ons, maar - zeldzaam voor deze tijd - ze zoeken de hype niet. Je moet ze ech wel met iets anders zien te lokken.
Met een verpest gehoor kan je gelukkig nog wel zien wat de wind doet! Best kans ook dat je je hem op een keer weer scherp hoort fluiten de wind, in dakpan of mast. Alleen, bij Wijnberg hoeft het daarvoor niet per se te stormen of het klimaat eerst danig ontregeld. Als een ingenieurinstrumentenmaker stelt en spant Wijnberg zijn regels. Ze worden ruimtelijk. Lijntjes van een notenbalk, snaren, draadjes, masten. Hij ontvouwt, buigt ze regel voor regel tot de wonderlijkste drager of antenne. Curieuze installaties waar liedjes doorheen kunnen spelen en blazen. Waar de liedjes - al onze - weldadig in kunnen huizen en op verhaal komen. Niet de grootspraak maar het luisteren gaat aan Wijnbergs liedjes vooraf. Terwijl je ze leest herstellen ze je binnenoor. Hoe stiller je durft te worden hoe voller en rijker ze klinken. Zijn album vangt goud, ja: de Ida Gerhardt Poëzie Prijs.

Liedje voor morgen
                                        Voor Nachoem M. Wijnberg

Een prijs, iemand zei het, ver weg, en toch klonk het dichtbij,
dichtbij je oor. Een prijs waarvan je nog nooit had gehoord.
Het was gezegd voor je het wist. Nu weet je het niet meer zeker.
Jij? Een prijs? Een gedicht waar een prijs is uitgehaald en

weer in is terug gezet. Je bent dezelfde als voor de prijs, toch
is er iets anders. Naar wie de prijs genoemd is ken je niet.
Tot elkaar gebracht als twee mensen op eenzelfde perron,
in een denderende trein in de nacht, naar jouw huis. Onverwacht

Laat, maar eerder dan je dacht. Je schrikt op van je eigen
gezicht in het raam, ben je dat echt? Die winnaar?
De wereld is hetzelfde en toch anders, de wereld

is de helft van de tijd donker, een sein glijdt soepel
van rood op groen. Je bent op de goede weg, lijkt het wel,
het donker lijkt anders. Morgen weet je het zeker, zul je zingen
 
Hanz Mirck,
februari 2008
© Ida Gerhardt Poezie Prijs, 2008