juryverslag 2006

Winnares:   

Astrid Lampe - - Spuit je ralkleur
 
In de bundel "Spuit je ralkleur" is Astrid Lampe erin geslaagd poëzie terug te brengen naar haar oorspronkelijke uitgangspunten. Ze zingt en verliest zich, ze mythologiseert en becommentarieert, ze verlangt en deelt de lakens uit, ze is genereus en veeleisend. Taal is in deze bundel niet alleen een vehikel van mededelingen en verwijzingen, maar ook een feestelijk hoempaorkest waarin tetterende koperblazers, ragfijne klarinetten en donderend tromgeroffel elkaar stevig in een greep houden. Ze verenigt in haar werk op meer dan voortreffelijk wijze, zonder dat het opgelegd pandoer is, een groot aantal poëticale jargons. Rijmelarij die aan de rederijkers doet denken, tedere ontboezemingen die ontleend lijken aan het symbolisme, plotselinge allusies op Vondel, Gorter, Van Ostayen en vele, vele anderen. Maar ook popmuziek, straattaal, erotische jargons. Ze laat altijd haar verbondenheid zien met de grote tradities van de poëzie. Haar gedichten pronken niet met deze kennis, met welke kennis dan ook, Lampe is er nooit op uit ons te overbluffen met kennis en weetjes. Lampe's gedichten spreken ons toe, ze nodigen uit, ze redeneren, ze stellen eisen, ze vermanen soms ook. En nooit stelt ze haar werk op een verheven voetstuk. Je zou kunnen zeggen dat deze bundel op een vrolijke en onnadrukkelijke manier een pleidooi houdt voor democratie. Niet alleen hanteert ze jargons uit alle bewustzijnslagen, ze reageert daar op, soms woedend of theatraal, dan weer verstild en mededogend, vaak geestig, maar nooit afstandelijk ironisch. Altijd vanuit intense betrokkenheid: haar poëzie is in deze bundel niet wereldvliedend maar wereldzoekend.
Wie in dit werk een verborgen waarheid wil zoeken, komt bedrogen uit. Deze poëzie verbergt niets maar strooit met gulle hand woorden, klanken en betekenissen. Astrid Lampe opereert volstrekt openhartig, ze houdt geen troeven achter de hand en wil nooit de indruk wekken dat zij iets beter weet dan wij. Dit is tonende en demonstrerende poëzie, niet een poëzie die vermomt, duister wil zijn, of een onoplosbare puzzel. Bij Lampe is er geen puzzel, er is taal, vaak ingenieus, vaak ook van belangeloze en ingetogen schoonheid, taal die alle hoeken en gaten van het bestaan inkleurt en openhartig onder woorden brengt. Maar ook laat ze gevoel klinken dat tot diep in de ziel reikt en groot verlangen demonstreert naar betrokkenheid en lotsverbondenheid met haar lezers. En altijd nodigt ze ons uit mee te gaan, om mee te doen, om deel te hebben aan haar feestelijke poëzie: ‘jij in mijn portocab'/ potend je geurvlag/ potent je ralkleur spuitend/ straal het moeras in.' Lampe is taalingenieur en taalmuzikant. Ze is soulzangeres, gregoriaans priester en feestelijk jongleur. ‘Jij bent mijn lucht mijn asem', schrijft ze ergens en dat gaat op voor deze hele bundel. ‘Hijs me dan maar in dat dirnlkleid', staat ergens anders: wat een mooi beeld van poëtisch verlangen! De bundel "Spuit je ralkleur" van dit begenadigd meisje, zoals zij het ergens noemt, verdient ten volle de Ida Gerhardt Prijs.
Overige genomineerden
Lucas Hüsgen - - Deze rouwmoedige schoonheid
 
De bundel van Hüsgen laat zich lezen als een ontdekkingsreis. Een dynamisch, speels verspringen tussen abstracties en zintuiglijkheden prikkelt de lezer te proberen de teksten binnen te gaan als nieuwe belevingswerelden, die uitdrukkelijk niet in het ego van de dichter wortelen, maar in de door ons allen gedeelde buitenwereld, ofwel de moderniteit. Nuchtere, montere geheimtaal bezigt Hüsgen, hij spreekt ons aan op wat er binnen de starheid van ons tot individualiteit gereduceerde zelfbesef nog mogelijk is aan, als realiteiten te kenschetsen, bevrijdende gewaarwordingen. Alles in zijn poëzie is in beweging, is in heldere, door een landschappelijkheid voortgaande gedachtensprong op weg naar, bij voorbeeld, schoonheid, of een sierlijke vorm van naastenliefde: ‘Ritme ener slapenden wil zij met mij gaan wuiven in onze slapende bus?' Hüsgens taal stijgt vermetel naar toppen van gekunsteldheid die veel eisen van de lezer maar in al hun muzikaliteit zo verleidelijk en geestig zijn dat we losraken van iedere geijkte redeneertrant of poëtische traditie. Daarbij worden ongekende feiten onthuld ‘alsof/ de touwen van de vele kunstwerken die ons wegleiden van het vertrouwen/ zich ntlokken aan de kieren van het langzaam gedachte// dat aan alle zichtbaarheden eigen/ voor jou aan ons heksenarbeid toekent en uitlegt aan de roodgeblokte,/ kleiner in invidualiteiten tot dit canaille. Ijle acrobatiek// trapt er in de theoretiseringen van korrel en leem: emeritaat/ van de omjouwde zichtbaarheid.
Er zijn maatschappelijke, kritische geluiden te horen in deze poëzie, in gedragen, vermanende toon, die een mengeling van ironie en woede tot uitdrukking brengt. Er is bovenal een pleidooi voor een ruimere blik dan die van het "ik", dat zich ten volle rechtvaardigt en verwezenlijkt, exemplarisch, in de teksten zelf, in hun doodgemoedereerde, dansante ernst.
 

Antoine de Kom - - chocoladetranen

In de bundel "chocoladetranen" is een stem aan het woord die vaak heel vertrouwelijke en verrassende vragen stelt, vragen die de poëtische beelden oprepen: ‘zou jij ooit dromen van/ geen rozerode slangenmond en van/ geen plotseling geworstel/ in de grijze modder?' De lezer voelt zich door deze aanspreekwijze het gedicht binnengetrokken, soms des te sterker door de negatie die aan die beelden wordt verbonden, en bereikt een staat, al lezend, van bevreemde vereenzelviging die smartelijk kan aflopen, zoals in bovenstaande tekst: ‘en van onder je natgeregende kussen/ krast uit een kleine transistor de stem/ die tot je spreken zou/ maar net al ophield stem te zijn'. Metaforen en realia gaan op zulke (vele) momenten in De Koms poëzie perfect in elkaar over. De dichter weet ons, vaak zonder zijn personages te benoemen, in aanraking te brengen met een grote verscheidenheid van levende en dode wezens: een dode foetus, een geliefde reisgenoot, zichzelf, een hovenier, Hitler, Hadewijch, Wittgenstein, enzovoorts. De toegesprokene tekent zich gaandeweg af in het gedicht, in de welhaast sprookjesachtig evocatieve beelden en de soms lyrische, soms gruwelijk dramatische lading ervan, die juist door de vragende vorm ( ‘zijn dit dan knetterende kiemen/ van die fijne splinters bot beton metaal', in een gedicht over de elfde september) indringend aankomen.
Er lijkt in deze gedichten voortdurend iets op het spel te staan; de lezer wordt als het ware dringend verzocht zich in te leven, zich open te stellen voor universele momentopnames van ‘de Ander' die door geen ander dan Antoine de Kom ons zo wonderlijk strijdbaar en teder zijn in te fluisteren.

 

ramsey nasr - - onhandig bloesemend
 
Vitaal, genereus, trefzeker is de dichter Nasr, die in deze bundel een virtuoze, gepassioneerde wisselwerking celebreert met de wereld van de expressieve kunst, meer in het bijzonder met de muziek. Het tweesnijdende van de kunst, het verlangen en de vertwijfeling, de stilering en het animale, het utopische en de nederlaag, wordt al in de eerste regels van de bundel neergezet: ‘treed binnen allerzwartste/ met je gezandstraalde ziel/ gerangschikte tranen/ treed binnen en brul als een dame/ (...) sterf in een lijf dat niet van jou is/ zing tot bloedens toe/ (...) kus dit lege hart'.
Nasrs dichtershart is allerminst leeg, hij speelt met de schrijnende muziek van Schumann en Sjostakovitsj omdat hij die muziek overduidelijk liefheeft, neemt in het voorbijgaan de wetenschap en verscheidene maatschappelijke schandalen op de korrel, met authentieke woede en gepast wantrouwen, blaast psalm 23 nieuw leven in, weet een dronken kop die sterretjes ziet van ellende aangrijpend uit te beelden.
Nasrs cyclus op Schumanns "Dichterliebe" is een schitterende revitalisering van de oude tekst en muziek, die de uitzinnigheid en smart van het origineel ten volle recht doet en zich dat eigen maakt door middel van intieme verbastering. Helder verstand en ontroering gaan in deze teksten hand in hand. De lijdensmuziek van Sjostakovitsj, en de heftige bewogenheid ervan, worden ingebed en omspeeld in een suggestieve monoloog van de componist, die de verwording van zijn wereld aanschouwt, en waarin de wereld achter de muziek, de tweestrijd tussen dwang en hang naar schoonheid, op muzikale wijze tot klinken wordt gebracht. Nasr betoont zich een moderne romanticus, met weerbarstige, geestige, schrijnend doorvoelde en tot grote scherpte gestileerde gedichten. Waarheid en paradox kan hij verenigen: ‘geef mij het hoofd van de onnozel volhardende pletterloper/ hij die hart op zwart cipres op rood dood op anijs laat rijmen'. Zulke poëzie bepleit de kracht van de weerlozen en van de baarlijke liefde.
 

b.zwaal - - een drifter
 
Wat is een drifter? ‘Een vissersschuit die men bij het vissen laat drijven', volgens Van Dale, en bij het woord ‘drift' staat zowel ‘drijven op een vloeistof' als ‘stroming in vloeistoffen of in de lucht'. b.zwaal is in de poëzie dan ook duidelijk in zijn element, maar wat hij najaagt is geen woordkunst; taalspel is het middel, sensatie van opheldering het resultaat. De woorden gaan in het meestal korte bestek van zijn gedichten wisselende verbindingen met elkaar aan, mede door ombuigingen in klank (adem- ader) en door de verrassende regelval. In enkele lijnen, woorden, polyvalente constructies, weet b.zwaal een hele wereld, een landschap, aan het licht te brengen, vol kleine verworvenheden of stromingspatronen - trillingen van naastliggende woorden, omgeschreven maar opgeroepen. Elk woord, elke wending is als een steentje dat in het water kringen zaait. De toon is even onthecht als muzikaal. Eros en vergezicht kunnen gemakkelijk in elkaar opgaan: ‘zweven aan een mooie schone lijn', loopt uit op ‘zweven aan een mooie schoot'. Deze gedichten kunnen vele malen worden herlezen, omdat er iets in gaande is, drijvende is, dat de blik van de lezer doet kantelen, en vluchtige, wijd uitdijende associaties oproept met een uiterste zuinigheid van middelen. Daardoor is dit meditatieve maar activerende poëzie, voedsel voor de geest, van een grote zuiverheid en een veelkantige zeggingskracht. b.zwaal laat zien dat lyriek niet schuilt in overdaad en ontboezeming, maar in de trefkracht van het summiere waar achter een weidsheid voelbaar is.