juryverslag 2004

Lloyd Haft 'De Psalmen'

De psalmen moeten wel horen tot de meest vertaalde en bewerkte teksten uit de wereldliteratuur. Wie zich daar nog een keer toe wil zetten moet daarom wel van goede huize komen. En niet alleen om die reden, ook omdat in deze tijd de psalmen en alles wat ze impliceren aan religieuze beleving, niet meer zo erg in trek zijn, waardoor een dichter die zich op deze poëzie toelegt gemakkelijk in de marge kan verdwijnen van wat als serieuze poëzie beschouwd wordt. Lloyd Haft heeft desondanks al jarenlang blijk gegeven van een serieuze en dichterlijke belangstelling voor de psalmen. Voor het eerst konden lezers daarvan kennis nemen in het psalmennummer van het literaire tijdschrift Parmentier, waarin het psalm 23, die begint met de regels: "De heer is mijn herder, mij ontbreekt niets", niet vertaalde of berijmde, zelfs niet hernam, maar opnieuw schiep en doorvoelde. De eerste regels luidden bij Haft aldus: "Mij weet de ziende,/ kent mijn gebreken."
Met die psalm is het allemaal begonnen, en geleidelijk aan heeft Haft álle psalmen opnieuw door zijn taal laten gaan, met als resultaat zijn schitterende, hier bekroonde bundel De Psalmen.
Het ging daarbij vaak rücksichtlos te werk: de vele herhalingen en parallellismen inde psalmen schrapte hij, die houden de boel maar op. Hij liet alle namen en historische plaatsen weg - zijn mens spreekt vanuit een niet nader aangeduide wereld. De sprekende stem in de psalmen is bij ook duidelijk een individuele, er is geen sprake van een heel volk dat zich tot zijn god richt, maar van één zoekende mens. De vele wraakzuchtige passages, waarbij de psalmist de Here dringend verzoekt zijn vijand eens op de kinnebak te slaan of zijn kinderen tegen de rotsen te verpletteren zijn evenmin bij Haft terug te vinden. Een dergelijke primitiviteit is niet aan hem besteed. Wel komen de 'vijanden' die van oudsher in de psalmen op de loer liggen en de spreker verdrukken en bedriegen ook hier af en toe voor, als degenen die het bestaan van god ontkennen. Dergelijke vijanden worden trouwens ook soms in het eigen hart aangetroffen.
Nadat de psalmen aldus van veel volume ontdaan zijn, kijkt de dichter naar wat hen in elke psalm als het specifieke, het eigene, het treffende voorkomt. Daarvan maakt hij zijn eigen gedicht. Dat kan verbluffende veranderingen teweeg brengen, zoals bijvoorbeeld bij psalm 37: in de oorspronkelijke versie zijn negentig regels nodig om het onbestendige geluk der goddelozen uit de doeken te doen en uiteen te zetten hoe een rechtvaardige zich behoort te gedragen, in Hafts versie volstaan drie regels:

Wees stil.
Al het andere van a tot z
is zeggen: hij is zien.

Daarmee is meteen een belangrijk thema van deze gedichten geïntroduceerd, namelijk het zien. De god in Hafts poëzie is een heel andere dan de almachtige heerser van de Israëlieten, de zijne is voornamelijk zien. Hij wordt ook menigmaal 'de ziende' genoemd, en de mens vraagt maar al te vaak om door hem gezien te worden. Zo is bijvoorbeeld de beroemde regel "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" hier vervangen door een eenvoudig "Wilt u mij niet zien?"
De mens zelf ziet niet: "Groot is mijn onvermogen u te zien" staat ergens. De mens zoekt. Dat is het andere belangrijke thema in deze bundel, het hardnekkige vermoeden, verlangen, hopen, zoeken. Er is de wil om niet op te geven, en de overtuiging dat bij een dergelijke volgehouden zoektocht het niet anders kan of er is ook een object van het zoeken. Hoe ongrijpbaar dat dan ook is.
Haft weet dat alles te doen in veelal korte regels die sober van bouw zijn, zijn taal is helder maar bewaart ook de sacraliteit van de psalmen. Het is eigenlijk niet juist om te spreken van 'bewaren' - Hafts psalmen zijn nieuwe, eigen gedichten die geschreven zijn tegen de achtergrond van het bijbelboek, zonder daarvan nog afhankelijk te zijn. Deze bundel staat geheel op zichzelf en sluit toch nauw aan bij een oude traditie. Het is verbluffend hoe poëzie tegelijkertijd zo oud en zo nieuw kan zijn.

Van deze niet alleen gewaagde, maar ook buitengewoon geslaagde en aangrijpende bundel was de jury zeer onder de indruk. Het is ons dan ook een groot genoegen om Lloyd Hafts De Psalmen te mogen bekronen met de Ida Gerhardt-Prijs, in de volle overtuiging dat de naamgeefster van deze prijs, zelf een begenadigd, psalmenvertaalster, uiterst content geweest zou zijn met deze keuze.

De jury
Erik Menkveld
Marjoleine de Vos