juryverslag 2002

Juryrapport Ida Gerhardtprijs

over Verschiet van Anneke Brassinga

Anneke Brassinga toonde zich in haar vorige bundels steeds een dichteres voor wie de taal een bijzondere functie heeft. Ze bleek als geen andere dichter in het Nederlandse taalgebied te kunnen genieten van het archaische en sloeg het als een waardig erfgename op in haar werk, dat in de loop van zes bundels wel iets weg heeft gekregen van een reservaat voor bedreigde taalsoorten. Ook in Verschiet komen vreemde uitdrukkingen voor als 'nornenkot', 'houten jas' voor doodskist of 'mansdeelrijzige kaarsen' voor het fallische. Maar het is geen rethoriek, taalspel om het spel zelf, en hoewel ze wel degelijk ook op zoek lijkt naar vergeten wortels van de taal, klinkt er veel meer mee: Brassinga's taalrijkdom staat in dienst van een haast mystiek ogende dichterlijke sensatie. In Verschiet lijkt het soms wel alsof de dichteres met haar woorden buiten zichzelf probeert te treden; de  poëzie is niet zomaar een medium voor wat voor menselijke communicatie dan ook, het is een middel tot extase. In het openingsgedicht 'Roeping', dat zich conform de titel als een soort credo laat lezen, gaat het om een merel die zo hartverscheurend mooi zingt dat de ik persoon de oren toestopt om het gezang in zichzelf te bewaren: 'Dan vangt in mij het zingen aan.' En in het slotgedicht 'Aan de zon' slurpt ze zoveel zonlicht op dat ze de blindheid die het gevolg ervan  is, op de koop toe neemt. Dat wijst op een compromisloze offerande van het lichamelijke aan het geestelijke. Toch is dit ook weer geen poëzie van een onmenselijke en onpersoonlijke, voor de lezer nauwelijks te volgen mystiek. Door het barokke, aandachttrekkende taalgebruik heen schemeren voortdurend ware en heftige ervaringen: in Verschiet staan meer dan in vorige bundels emotionele noties op het programma, gevoelens van pijn, verdriet, wanhoop en vertwijfeling. Zonder dat het ten koste gaat van het geheel eigen uiterlik van haar poëzie blijkt Brassinga ook nog eens in staat het geheim van onverwoordbare smart te benaderen. Zo beschrijft ze hoe ze staande bij de kist bevangen raakte door een krimpen 'tot een ijskoud punt van elk gevoel', en hoe ze vervolgens in een fractie iets van het hiernamaals ervaart:

alleen in die verschrikking je nabij te zijn, in een godsliederlijk elkaar verlaten laten gaan.

Somber of extatisch, het zijn nooit slappe, of voordehandliggende emoties die Brassinga beschrijft. Integendeel, het gaat op het scherpst van de snede. Zo nu en dan klinken ware oerkrachten op in deze poëzie. In het gedicht 'Wadloper en meeuw' bijvoorbeeld moet de wadloper als een middeleeuwse boeteling lijden en zelfs brak water drinken om een einder te bereiken. In het gedicht 'Malende', opgedragen aan J.C. Bloem, lijkt dan weer tegelijkertijd gemalen en gemaald te worden. 'Toch raakt geschift de pan' slaat op zowel koekenpan als hersenpan: het huislijke en het bovenzinnelijke zijn hier keerzijden van hetzelfde gevoel en van dezelfde woorden, die zo een geheimzinnig etymologisch verband aangaan. En wie als openingszet voor het amoureuze schaakspel een gedicht weet te schrijven als 'hoe te zoenen op straathoeken' weet dat er behalve snerpend verdriet in de poëzie ook ongebreidelde hartstocht valt te verdienen. Verschiet is een rijke bundel, waarin de lezer door de dichteres als het ware door bergen en dalen van emotionele en fysieke gewaarwordingen wordt meegenomen, zonder dat het ooit ten koste gaat van een volstrekt eigenzinnige stijl. Mooi is het woord misschien niet voor deze rijkgeschakeerde poëzie, die het burleske noch de emotionele diepte schuwt. Misschien moeten we het subliem noemen: Brassinga's woorden zijn in staat om de vreemdste, diepste en meest onaantastbare sensaties te benoemen.
de jury: Arie van den Berg Rob Schouten