juryverslag 2000

Juryrapport van de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2000

Een juryrapport is geen recensie en geen analysen van één enkel boek, laat staan dat het een oeuvre kan omspannen. Het is krachtens zijn aar niet meer dan e verantwoording en motivering van een bekroning, gevolgd door een beknopte lofprijzing. Toch wil de jury van de tweejaarlijkse Ida Gerhardt-prijs voor poëzie zich niet hullen in een wolk van algemeenheden. Zij stipt liever enkele concrete en karakteristieke momenten aan in de poëzie van de bekroonde dichter, die in dit geval ook als prozaschrijver zijn sporen heeft verdiend. In 'De weg naar Camden', het lange gedicht waarmee Kees 't Hart zijn bundel
Kinderen die  leren lezen opent, komt de volgende uitspraak voor:
      -ik zoek naar een poëticale terminologie
      die met zintuigen verbonden is
      en zich in verbeelding laat vertalen -

Deze regels klinken bijna als een vertoog, als het begin van een verhandeling. Maar als zo vaak bedriegt de schijn ook hier, al is het de dichter ernst met zijn zoektocht naar een praktische poëtica die het zintuiglijke vooropstelt. Het citaat slaat echter in de eerste plaats op datgene wat hij zoekt in de bewonderde hoofdfiguur van 'De weg naar Camden'- de Amerikaanse dichter Walt Whitman, wiens vervallen woonhuis in de buurt vaan Philadelphia als poëtisch pelgrimsoord bezocht wordt. Het is met een mengeling van kinderlijke nieuwsgierigheid en zintuiglijk verlangen dat de tocht (die meer is dan een tocht naar Camden) begint.
      - ik las Walt Whitman en begon te kijken
      als iemand die vergeten was met kijken
      als een man die bij de toonbank is vergeten
      wat of de toonbank was en wat de muren
      van de winkel waarin hij stond.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in zijn gedicht een verbinding legt met het kind op zijn eerste schooldag (een kind dat nog moet leren lezen), en dat hij zijn onbevangen houding even later omschrijft als die van 'een wetenschapper zonder wetenschap'. 'In mijn mond ben ik heel langzaam kind,' noteert 't Hart. En elders: 'Ik brand me aan mijn kinderlijke blik.' De ogen van het kind en het besef een wetenschapper zonder wetenschap te zijn staan niet alleen voor een dichterlijke levenshouding, ze vormen een combinatie die in deze poëzie meer dan eens herinnert aan 'la pensée sauvage' - het wilde denken, dat zich onderscheidt van het abstract-wetenschappelijk denken door zijn hang naar concretisering, naar tastbaarheid, zowel via de zintuigen als het instrument van de taal (dat het niet zonder de mond kan stellen). Het is niet mogelijk 'De weg naar Camden'- een gedicht van negentien pagina's - hier te nader te beschouwen, omdat er zoveel meer in deze bundel gaande is. Wij noemen slechts de 'De winkelstraat' en 'Geachte Mevrouw', verzen van lange adem, waarin 't Hart om zo te zeggen volledig aanwezig is en hij zijn poëtisch vernuft combineert met een hoekige lenigheid van taal. Het zijn eigenzinnige teksten, direct herkenbaar als 't Hart-verzen, zonder ook maar ergens sjablonesk of gemeenplaatserig te zijn. In 'De winkelstraat' figureren andere dichters (er zijn citaten van Van Ostayen en echo's van Martinus Nijhoff) en zijn zintuigen opnieuw gespitst of op de rand van overprikkeling; een kind kijkt op een wandeling zijn ogen uit (zien is kennen) en drinkt alles in wat beelden met woorden verbindt.

Een opmerkelijk aspect van deze poëzie is de manier waarop het bijzondere en het gewone, het fraaie en lelijke, de euforie en de nuchtere constatering gestalte krijgen. Letterlijk alles - van het verhevene tot het platvloerse - wordt met oprechte geestdrift benaderd, besnuffeld en beschreven. De dichter geeft vorm aan het bijzondere in het alledaagse. Dat is moeilijker dan met op het eerste gezicht zou denken, omdat het te maken heeft met poëtische 'inpoldering' van alles wat lange tijd niet tot het domein van de dichtkunst werd gerekend. Een geslaagd voorbeeld daarvan is het zoëven genoemde gedicht 'Geachte Mevrouw'. Het betreft hier een wel zeer oorspronkelijke en bij vlagen hilarische liefdesverklaring, waarin de niet voetstoots geaccepteerde minnaar alles uit de kast moet halen om de Belle Dame Sans Merci te overtuigen van zijn voortreffelijkheid, en haar te bewegen tot enige tegemoetkomendheid. Dat gaat niet zonder knipogen en geestige opsommingen van volstrekt ongelijksoortige aard. De ik-figuur in het gedicht prijst zichzelf in tal van hoedanigheden aan, als 'principieel ellendeling', als 'lid van de havenzangers', als loodgieter en schilder, als 'accordeonist bij The Three Jacksons' en als 'tekstschrijver van Corrie Konings'. Wanneer de verre prinses zich niet toeschietelijk toont, vraagt hij haar beleefd: '... acht u het / verstandig mij voor aap te laten staan'. Hoezeer de weerspannige dame ook in gebreke blijft, zijn egards worden er niet minder om:
      - nooit heb ik u vervloekt mevrouw
      voor u alleen nam ik een retourtje Zwolle
      ik at citroenen op met schil en al
      ik beval Heidegger aan bij broeder Vuur -

Haar onvermurwbare pose dringt onontkoombare vragen op:
      - bevoelen mijn beelden u niet
      wekte mijn afwasmethode ergernis 
      spoelde ik het bestek voor de glazen
      was ik ruimtelijk niet genoeg aanwezig
      u zegt het maar ik ben deemoedig
      ik klaag niet - 
En wanneer alles is gezegd en gedaan, wordt mevrouw in telefoonseks-termen herinnerd aan haar op schrift gestelde belofte:
      - als alles voor elkaar is
      ga ik direct met jou apart
      dat was de afspraak weet u nog -
't Hart sluit dit in kwatrijnen geschreven gedicht van honderdzestien regels af met een even krachtig als verrassend beeld. De minnaar die zoëven nog voor aap stond, weet pijnlijk precies wanneer en waar de afspraak werd gemaakt: 'Ik was', zegt hij, 'de geit / die voor het huis aan het grazen was'.
Dit is de schrijver Kees 't Hart ten voeten uit, zoo lijkt het. Het alledaagse en onzuivere, het welhaast platvloerse en sentimentele worden geplaatst in een bijzondere context, waardoor het banale, maar toch intense gevoel een ogenblik boven zichzelf wordt uitgetild. Dat is geen geringe verdienste, temeer daar deze poëzie nergens de indruk van willekeur en gratuite baldadigheid wekt. Integendeel, zij verraadt op tal van plaatsen een opmerkelijke ernst, die gepaard gaat met een vermoeden of misschien wel een aan de ervaring ontleende idee van de poëtische essentie van het leven.
Het is mede daarom dat de jury de eerste Ida Gerhardt-prijs voor poëzie toekent aan Kees 't Hart en zijn bundel "Kinderen die leren lezen".

Zutphen, 10 maart 2000 H.C. ten Berge J. Bernlef